Innerlijke vijandigheid, de stille architect van een leven

Er bestaat een vorm van vijandigheid die niemand uitspreekt, omdat niemand hem herkent. Ze richt zich niet naar buiten, maar naar binnen. Ze fluistert niet luid, maar is voortdurend hoorbaar in de manier waarop iemand zichzelf beoordeelt. Wie dit patroon draagt, merkt zelden dát hij het draagt. Hij ervaart alleen de gevolgen: vermoeidheid, onrust, een vaag gevoel van tekortschieten, een leven dat voelt als een opgave in plaats van een ontplooiing.

Het venijnige van deze innerlijke vijandigheid is niet dat ze pijn doet. Dat zou nog draaglijk zijn, omdat pijn tenminste een oorzaak zoekt. Het venijnige is dat ze het leven vórmt zonder herkend te worden als vormgever. Ze bepaalt welke kansen iemand laat schieten, welke liefde hij niet toelaat, welke woorden hij binnenhoudt. En omdat de oorzaak onzichtbaar blijft, wordt het ongemak dat eruit groeit voortdurend toegeschreven aan iets anders. Aan de buitenwereld. Aan omstandigheden. Aan het verleden.

Hier komt de therapeutische cultuur in beeld, vaak met de beste bedoelingen, maar met een structureel blinde vlek. Ze is buitengewoon bedreven in het aanwijzen van herkomst: de jeugd, de ouders, de vroege verwaarlozing, en bij sommigen zelfs vermeende vorige levens. Elke verklaring legt de oorzaak bij iets (of iemand) dat buiten de huidige, actuele verantwoordelijkheid van de persoon ligt. Het kind dat men ooit was, wordt aansprakelijk gesteld voor het ongemak van de volwassene die men nu is. Dat biedt troost, want het ontslaat van iets. Maar deze troost gaat ten koste van de waarheid.

Want de mens, zoals Sartre het scherp doorzag, is niet enkel het product van wat hem overkwam. Hij is ook, voortdurend, degene die een oordeel over zichzelf velt, en die dit oordeel vrij velt, in het heden, telkens opnieuw. Dat is de gave: het vermogen om jezelf te beschouwen, te beoordelen, te interpreteren. En het is precies die gave die, bij velen, ter kwade trouw wordt ingezet. Men gebruikt het vermogen tot zelfreflectie niet om zichzelf te kennen, maar om zichzelf te veroordelen, en vervolgens om die veroordeling te verhullen door de oorzaak buiten zichzelf te plaatsen. Zo ontstaat een dubbele ontkenning: men ontkent dat men zichzelf vijandig bejegent, en men ontkent vervolgens ook nog de eigen vrijheid om dat oordeel te herzien.

Dit is geen kwestie van schuld. Het is een kwestie van eerlijkheid. 

Pas wanneer we niet langer op zoek gaan naar de oorzaak van ons emotionele ongemak in het therapeutische sprookjesbos, ontstaat er ruimte voor echte verandering. Wanneer iemand durft te erkennen dat deze zelfvijandigheid een actieve, herhaalde keuze is, ontstaat er ruimte voor echte bevrijding. Vrijheid om zichzelf te zien zonder de constante innerlijke vijandigheid. Vrijheid om een mening over zichzelf te hebben die niet per definitie vernietigend is. Vrijheid om te leven in plaats van te overleven onder het juk van de eigen vijand.

De meesten zullen deze stap nooit zetten. Het is comfortabeler om te blijven zoeken naar oorzaken buiten zichzelf. De innerlijke vijand lacht zachtjes mee. Hij gedijt bij ontkenning. Hij houdt van duisternis en uitstel. Pas wanneer wordt erkend dat de vijand niet in het verleden woont, maar in het heden actief wordt gemaakt, ontstaat de mogelijkheid tot iets anders dan verklaring: verandering.

Laat een reactie achter

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *