Over Voltaire en cognitieve dissonantie
Voltaire schreef zijn Traité sur la tolérance vanuit pure ontzetting. Mensen hadden verschillende meningen – dat vond hij prima. Wat hem echt schokte, was dat ze die verschillen als een gevaar begonnen te zien. Overtuigingen stonden niet meer open voor kritiek. Ze verschuilden zich achter ‘heiligheid’ en eisten bescherming tegen elke vraag. Voor Voltaire lag daar de kern: echte waarheid overtuigt vanzelf en kan tegen een stootje. Macht daarentegen verbiedt discussie.
Intolerantie komt bijna nooit openlijk brutaal binnen. Ze sluipt naar binnen met een bezorgd gezicht. Ze praat over vrede, over kwetsbare gevoelens, over het grotere goed. Steeds hetzelfde patroon: het probleem zit niet in al die verschillende ideeën zelf. Het zit in het niet kunnen verdragen ervan. Zodra een idee niet meer bevraagd mag worden, houdt het op een idee te zijn. Het wordt een bevel. Autoriteit wint het dan van de rede.
In zijn Dictionaire philosophique tekent Voltaire dat nog scherper. Fanatisme is een toestand waarin kritiek gewoon niet meer mogelijk is. Argumenten hoeven niet meer. Een verontwaardigde blik volstaat. De ander raakt iets aan wat verboden terrein is. Voor Voltaire bewijst dat geen waarheid. Het bewijst angst.
Dit mechanisme had Voltaire al door, lang voordat iemand het cognitieve dissonantie noemde. Wat buitenaf wordt opgelegd, sluipt uiteindelijk naar binnen. Als kritiek gevaarlijk wordt, begint je eigen hoofd zichzelf te censureren. Je zwijgt om de spanning te vermijden. Je zwijgt uit zelfbescherming.
Schuld komt dan om de hoek kijken. Geen eerlijk berouw, maar een demper. Je drukt een vervelende gedachte meteen weg. Voordat je echt nadenkt, voel je je al ‘fout’. Zo hoef je nooit iets te corrigeren. De schuld doet het werk al.
Voltaire zag hoe autoriteit verbood om te onderzoeken. Wij zien hoe mensen dat verbod zelf overnemen. Ze corrigeren zichzelf al voordat ze iets zeggen. Soms zelfs voordat ze iets voelen. De spanning van een afwijkende mening voelt te zwaar. Dat is cognitieve dissonantie in zijn puurste vorm: het ongemak wegwerken in plaats van op zoek gaan naar wat klopt. De waarheid wordt verdoofd.
Daarom vond Voltaire het riskant om gelijk te hebben als de machthebbers ongelijk hebben. Waarheid veroorzaakt spanning. Die spanning wil iedereen kwijt. In plaats van je denken bij te stellen, stel je je schuldgevoel bij. Je wereldbeeld blijft intact. De lastige waarheid blijft buiten. Niet met dwang, maar met morele zelfdiscipline.
Tolerantie krijgt daardoor een vreemde draai. Het wordt geen vrijheid om alles te zeggen meer. Het wordt de ongeschreven regel over wat je beter niet denkt. Je spaart bepaalde ideeën om jezelf te sparen. Dat noemen we beschaving. Maar het is vooral angst managen. Voltaire zou dit geen vooruitgang vinden. Hij zou het een slimmere versie van onderdrukking noemen: de macht hoeft niet meer te commanderen. Wij doen het zelf wel.
Toch blijft zijn toetssteen helder. Echte waarheid heeft geen bescherming nodig. Die verdraagt vragen, spot en vergissingen. Alleen iets wat zijn eigen legitimiteit niet aankan, eist respect en eerbied.
Zijn idee is vandaag misschien radicaler dan ooit: vertel me wat jij absoluut niet mag bekritiseren. Dan wijs ik je aan waar de macht zit. En ook waar jij jezelf tegenkomt – en meteen weer dempt.
Wat echt bedreigend is, is niet het idee zelf. Het is het vooruitzicht dat je zonder schuldgevoel, zonder zelfcensuur, zonder innerlijke straf gewoon zou mogen zien wat waar is.
