De onschuldige mens
De mens doet er alles aan om aan zijn schuldgevoel te ontsnappen, behalve accepteren dat hij onschuldig is.
Het is alsof iemand midden in een rivier staat, in paniek omdat hij denkt dat hij verdrinkt. Hij spartelt uit alle macht, slaat wild om zich heen, schreeuwt om hulp, voelt zich hopeloos en probeert met al zijn kracht niet ten onder te gaan. De strijd is zo uitputtend geworden dat hij soms zelfs verlangt naar een snelle dood, als einde van zijn lijden.
Ondertussen klinkt er een rustige stem:
“Zet je voeten op de grond. Het water is ondiep. Je bent veilig.”
Maar die stem hoort hij niet. Of liever: hij kan haar niet geloven. Zijn angst schreeuwt harder dan de waarheid.
En wie hem uitnodigt om naar die stem te luisteren, noemt hij naïef, dwaas of zelfs gevaarlijk. Doodsangst heeft zijn denken zo in bezit genomen dat hij de eenvoudige waarheid : “je bent veilig”, niet meer kan geloven.
Zo is het ook met schuld. We vechten ertegen, verbergen haar, projecteren haar op anderen, zoeken vergeving, straf of verlossing. Alles lijkt aanvaardbaarder dan de eenvoudige mogelijkheid dat de aanklacht zelf onwaar is.
Misschien is de grootste angst van de mens niet dat hij schuldig is, maar ‘horen’ dat hij al die tijd onschuldig was.
