De man die zichzelf op zijn vingers tikte

De man die zichzelf op zijn vingers tikte

De man met het onzichtbare stokje

Er was eens een man die overal waar hij ging, een klein onzichtbaar stokje bij zich droeg. Niet om anderen te slaan. Nee, dat vond hij niet netjes. Maar om zichzelf af en toe een tikje te geven. Een stevig tikje, zo eentje waarvan hij dacht dat het hem scherp hield.

Als hij zich versprak: tik. Als hij iets vergat: tik. Als iemand hem complimenteerde en hij er niet in geloofde: tik tik.

Hij had er zelfs een ritme in gevonden, een soort huiselijke maatsoort waarin hij zijn dagen doorbracht. De buren hoorden niets, maar wie goed keek, kon zien dat zijn schouders altijd net iets te strak stonden, alsof hij zichzelf voortdurend in de houding zette.

Hij dacht dat dat nu eenmaal het leven was: je best doen, en hopen dat het stokje ooit tevreden zou zijn.

Tot op een dag, het regende zacht, zoals het hoort bij belangrijke dagen, hij een boekwinkel binnenstapte om te schuilen. Daar lag een klein boekje, nederig tussen de dikke titels, met op de kaft: Hulp bij zelfafwijzing van Karel Peeraer.

Hij kocht het, zonder te weten waarom. Thuis sloeg hij het open, en terwijl hij las, begon dat stokje in zijn hand zwaar te worden. Zó zwaar, dat hij het uiteindelijk neerlegde. Gewoon op tafel. Naast zijn bril.

Hij las over angst, over moed, en ergens in hem begon iets zachts te bewegen, iets wat hij al jaren niet meer had gevoeld: een nieuwsgierigheid naar zichzelf, zonder oordeel, zonder tikken.

Hij besefte dat het stokje niets anders was dan zijn angst om zichzelf toe te laten zoals hij werkelijk was. De angst had hem wijs gemaakt dat hij zonder tikken zou vervallen, maar nu zag hij dat de tikken hem juist klein hielden.

De volgende ochtend poetste hij zijn tanden, keek per ongeluk in de spiegel en zag, tot zijn eigen verbazing, een vriendelijk gezicht terugkijken. Niet perfect, maar aanwezig. 

En op de wastafel lag het stokje nog steeds, onaangeroerd, als een oude gewoonte die haar werk verloren had.

Hij glimlachte. Een beetje schuchter, zoals iemand die betrapt wordt op iets goeds.

En terwijl hij naar buiten stapte, merkte hij iets wat hij nooit eerder had opgemerkt: dat de lucht niet kouder of warmer was dan anders, maar doordrongen van iets. Een stille, alomtegenwoordige genade die er altijd al geweest was, wachtend tot hij zijn stokje eindelijk neerlegde.

Laat een reactie achter

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *