Een rivier die ontkoppeld is van zijn bron stroomt nog een tijdje door op wat er nog in hem zit, maar hij wordt ondieper, trager, stilstaand. Zonder bron geen vernieuwing. En als je hem opnieuw verbindt? Dan stroomt het weer. Niet omdat er iets nieuws bijgemaakt wordt, de bron was er altijd al.
Zo is het ook met ons en liefde. We zijn onvoorwaardelijk geliefd, want liefde is onvoorwaardelijk. Maar we leven in een wereld waar liefde aan voorwaarden wordt gekoppeld. Bij elke voorwaarde die we aanvaarden als terecht – waar we ons aan houden, waar we anderen aan meten, en waar we elkaar en onszelf mee veroordelen als die voorwaarden worden overtreden – sluiten we onze liefdesbron af. We lijden aan droogte, terwijl de bron nooit opgehouden heeft te bestaan.
Elke voorwaarde is een klein dammetje. We bouwen ze met de beste bedoelingen, om rechtvaardigheid te bewaken, om onszelf te beschermen, om de wereld begrijpbaar te maken. Maar al die dammetjes samen staan het water tegen.
Liefde koestert geen grieven. Maar wij wel. En het lastige is dat grieven zich vermommen als rechtvaardigheid. Ze voelen niet aan als iets wat wij doen, maar als iets wat ons is aangedaan. Een grief toegeven lijkt dan alsof je de ander gelijk geeft, of jezelf tekortdoet. Dat is de val. Want een grief erkennen is niet zeggen “het was mijn schuld.” Het is zeggen “ik draag dit nog mee, en dat kost mij iets.”
Elke grief is een touw waarmee je jezelf vastbindt aan het moment waarop je pijn had. De ander loopt vaak vrij rond, terwijl jij nog steeds daar staat, op dat moment, met dat touw in je handen.
Grieven loslaten doe je niet door ze te willen loslaten. Wilskracht werkt hier niet. Wat wél werkt, is jezelf toestaan ze te hebben, zonder veroordeling, zonder schaamte. Want de grief kon alleen blijven bestaan zolang hij verstopt zat achter schaamte, rechtvaardiging of ontkenning. Het onszelf toestaan grieven te koesteren is herverbinden met onvoorwaardelijke liefde. En zo vinden we de moed toe te geven dat we ze koesteren en gaan we ze, door de aanvaarding van die liefde, kunnen loslaten.
Dat is geen strijd meer. Je hoeft jezelf niet te overwinnen. Je laat de grief gewoon zijn, in het licht van iets groters. Zodra je hem toelaat, raakt hij zijn voedingsbodem kwijt. Je haalt de dammetjes weg en het water doet dan zelf wat water doet.
Die herstelling gaat gepaard met angst. Niet omdat liefde overweldigend is. We vrezen liefde omdat we ons eigen geloof in schuld op haar hebben geprojecteerd. We hebben ons oordeel dat fouten bestraft moeten worden, dat schuld reëel is, op liefde zelf gelegd. En zo is liefde in onze beleving veranderd van bron in rechter. We vermijden haar omdat we verwachten veroordeeld te worden, terwijl zij alleen maar kan beminnen. Het is alsof je thuiskomt bij iemand die alleen maar van je houdt, maar je ziet een strenge rechter staan en je draait je om en gaat angstig weg. Niet omdat er gevaar is, maar omdat je dat gelooft.
Aanvaarding van jezelf, inclusief je schaduwen, is de poort. Niet het eindpunt. De poort. En die poort stond altijd al open. We keken alleen de andere kant op.
