De stelling dat de relatief grote speelruimte die radicale islam in delen van de westerse samenleving krijgt, en dat daders in bepaalde zaken vaker milder worden bejegend of sneller worden beschermd dan de slachtoffers, voor een belangrijk deel voortkomt uit de behoefte van machthebbers om hun zelfbeeld als moreel superieur, tolerant en oprecht te handhaven, is psychologisch gezien alleszins plausibel. Carol Tavris en Elliot Aronson beschrijven in Mistakes Were Made (But Not by Me) precies dit mechanisme: wanneer mensen – vooral mensen met status, macht of een publiek moreel imago – worden geconfronteerd met informatie die botst met hun zelfbeeld, ontstaat cognitieve dissonantie. Die spanning is zo onplezierig dat het ego de feiten eerder buigt of bagatelliseert dan het zelfbeeld bijstelt.
In de praktijk betekent dit dat een politicus, bestuurder, journalist of rechter die zichzelf ziet als progressief, inclusief en humanitair, moeite heeft om te accepteren dat bepaalde migrantengroepen of ideologische stromingen structureel hogere criminaliteitscijfers, eergerelateerd geweld of anti-westerse radicalisering met zich meebrengen. Erkennen daarvan zou immers impliceren dat het eigen beleid of de eigen morele superioriteit tekortschiet. In plaats daarvan wordt de dissonantie vaak opgelost door de daders te contextualiseren (“sociaal-economische factoren”, “discriminatie”, “koloniaal trauma”), de slachtoffers subtiel te problematiseren (“islamofobie”, “provocatie”), of de feiten zelf te relativeren. Zo blijft het zelfbeeld grotendeels intact: men is nog steeds de goede, de tolerante, de oprechte.
Dit mechanisme verklaart waarom statistieken over oververtegenwoordiging in bepaalde criminaliteitscategorieën, of over de inhoud van radicale prediking, systematisch worden omzeild of weggerationaliseerd. Het verklaart ook waarom kritiek op die patronen sneller wordt bestempeld als moreel verdacht dan de patronen zelf. Wie de dissonantie wil vermijden, moet de boodschapper van ongemakkelijke feiten diskwalificeren, niet de feiten. Het resultaat is een asymmetrie: daders die in een moreel beschermde categorie vallen, genieten vaker meer institutionele welwillendheid dan de slachtoffers die buiten die categorie staan.
Natuurlijk is dit niet de enige factor. Er speelt ook electorale berekening, juridische doctrine, media-incentives en pure naïviteit. En de neiging is sterk en fysiologisch verankerd, maar niet absoluut: mensen kunnen dissonantie overwinnen, al gebeurt dat zelden wanneer status en morele identiteit op het spel staan. Toch blijft de kern van Tavris en Aronson stevig overeind. Mensen met macht beschermen niet in de eerste plaats de samenleving, maar hun eigen morele zelfbeeld. En zolang dat zelfbeeld zwaarder weegt dan de realiteit op straat, blijft de speelruimte voor radicale islam groter dan de feiten rechtvaardigen, en blijft de bescherming van daders soms groter dan die van degenen die de prijs betalen.
